|
Zoals zij haar handen
Om
het porselein van dromen sluit
Met een glimlach
Een ganse wereld omwikkelt
Zo
zie ik haar kijken
Naar het frêle water
doordrongen van kleur
Dampend
Uit een hete tas
aanzwellend loof
Onbeschrijfbaar blozend
Water ogend
Onaards een traan van geur
Alsof het de smaak van maneschijn betrof
De
gloed van jasmijn in een midzomernacht
De
parelende dauw op eeuwig groene bergen
Schuilend in een geneveld landschap
Met einders die onmerkbaar vervagen
In
een meanderend blauw
Als een bedelmonnik in maatpak
Een huiverende zwerver
Kijkt hij haar aan
En
brengt zijn lippen tot aan de rand
Van haar onpeilbaar verlangen
In
een kopje thee
Spiegelt zich onzichtbaar
De
onmeetbaarheid van haar blik
Een gebaar als uitdijend universum
Een ruiker aroma’s
Die zich opent in haar zwijgen
En
elke slok is een herkenning
Van het mysterie dat zij is
|